Behandeling en therapietrouw bij claustrofobie via internet
Samen met twee andere studenten klinische psychologie van de Radboud Universiteit Nijmegen heb ik, Sandra Swinkels, een behandelsite ontwikkeld voor mensen die last hebben van claustrofobische klachten. Na het creëren van deze behandelsite heb ik onderzoek gedaan naar de bestaande studies over typen behandelingen voor claustrofobische klachten. Verder heb ik de therapietrouw aan de behandeling via internet geëvalueerd. Een samenvatting van mijn scriptie is hieronder weergegeven.
In het theoretisch deel wordt een literatuurstudie gedaan naar bestaande onderzoeken van verschillende soorten behandelingen voor claustrofobie. Deze typen behandelingen zijn exposure in vivo, cognitieve therapie, Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR), virtual reality en computergestuurde zelfhulp (cognitieve gedragstherapie en zelfexposure). Deze behandelingswijzen worden met elkaar vergeleken op effectiviteit. Hieruit blijkt dat zowel exposure als cognitieve therapie effectief is. Van elk type behandeling worden voor- en nadelen beschreven. Het blijkt dat geen enkele studie eenzelfde (homogene) groep claustrofobici heeft onderzocht op verschillende methoden van behandeling.
In het empirisch deel wordt de compliantie (therapietrouw) aan de behandelsite geëvalueerd.
Dit ziet er als volgt uit:
Doel: Het doel van het empirisch deel is om meer te weten te komen over welke factoren samenhangen met compliantie en dus van invloed zijn op therapietrouw aan de behandelsite.
Methode: De Nederlandse versie van de Claustrophobia Questionnaire (CLQ-nl), de aangepaste en bewerkte versie van de Readiness to Change Questionnaire (RCQ) en de Quick Big Five (QBF) zijn afgenomen bij mensen die last hebben van claustrofobische klachten. Daarnaast zijn via de site een aantal aanvullende vragen door deelnemers beantwoord met betrekking tot motivatie voor gedragsverandering en ernst van claustrofobische klachten. Ook zijn gegevens over gebruik van alcohol, drugs en medicatie, sociodemografische gegevens en DSM-IV criteria uitgevraagd. Deze vragen en vragenlijsten werden tijdens de eerste sessie van de behandeling ingevuld door de deelnemers. De data, die in dit onderzoek zijn gebruikt, zijn dus allemaal afkomstig uit de eerste sessie.
Resultaten: Uit de resultaten blijkt dat sprake is van beperkte compliantie. Dit is te merken aan het feit dat slechts 26% verder komt dan sessie 3 van de behandeling voor claustrofobie via internet. Daarnaast is het zo dat het hebben van paniekklachten de compliantie op korte termijn verhoogd, terwijl geslacht (man) en een hogere mate van nauwgezetheid predictief zijn voor het volgen van vier of meer sessies. Conclusie: 74% van de deelnemers is voor de vierde sessie uitgevallen. Het is dus noodzakelijk dat verbeteringen aan de behandelsite worden aangebracht. Een essentieel aspect betreft het motiveren van deelnemers om door te gaan met de behandeling. Ook moet bij de behandeling van deelnemers met claustrofobische klachten voortaan rekening gehouden worden met paniekklachten en geslacht. De rol die de mate van nauwgezetheid speelt bij de compliantie is niet geheel duidelijk.
sandraswinkels1982@hotmail.com
Publicatiedatum: 31 januari 2006
Auteur: drs. Sandra Swinkels

Reacties
Er zijn nog geen reacties